donderdag 31 januari 2013

Don't look back in anger: Neil Young



Naar aanleiding van zijn optreden in het zo goed als uitverkochte Vorst National op 8 juni 2013 leek het ons een goed idee deze levende legende eens onder de loep te nemen. De muzikale loopbaan van Neil Young, geboren op 12 november 1945, is eentje die mag gezien worden als een mijlpaal in de muziekgeschiedenis. Niet alleen solo, ook met bvb Crosby, Stills, Nash and Young of samen met zijn Crazy Horses.

Het begon allemaal in de periode 1963-1965 toen Neil Young speelde bij The Squires die vooral instrumentale muziek brachten, covers van o.a. The Shadows. In 1965 traden ze , in een andere bezetting en onder de naam Neil Young & The Squires op in het voorprogramma van Stephen Still's band The Company. Medio 1966 sloot Young zich aan bij The Mynah Birds waarvan James Johnson Jr., die in de jaren tachtig een grote hit had met 'Super Freak', de leadzanger was. Ze combineerden Rock'n'roll met Soul. Young beschreef het als ''A Rolling Stones kind of R&B thing". De band sloot zelfs een contract met Motown, maar dit werd ontbonden na de arrestatie van James wegens desertie.
De volgende grote stap in de carriere van Neil young was Buffalo Springfield. De groep ontstond begin 1966 en bestond vooral uit Neil Young (gitaar) en Stephen Stills (gitaar). Hun selftitled debuutalbum kwam uit in 1967. De single For What It's Worth werd een grote hit. De voortdurende ruzies tussen Young en Stills zorgden er voor dat hij de band in 1967 verliet, hij werd live o.a. vervangen door David Crosby van The Byrds. Je kunt stellen dat uit de as van Buffalo Springfield de populaire Crosby, Stills en Nash is ontstaan.

Kort na zijn vertrek bij Buffalo Springfield werkte Young aan zijn eerste solo album, 'Neil Young' genaamd (heel origineel waren ze blijkbaar niet in die tjd als het op albumtitels aankwam), dat in 1968 uitkwam en met ‘The loner’ een vrij succesvolle single bevatte. In 1969 ontstond de eerste samenwerking met de Amerikaanse band Crazy Horse wat resulteerde in het album 'Everybody knows This Is Nowhere'. De band bracht samen met Neil Young enkele albums uit onder de naam Neil Young and Crazy Horse.
Een volgende grote stap in zijn carriere kwam er toen Young zich aansloot bij de succesvolle groep Grosby, Stills & Nash. Deze band was ontstaan, zoals we eerder aangaven, uit de as van Buffalo Springfield. Ze brachten onder deze naam een eerste succesvol album uit en vroegen in eerste instantie John Sebastian van The Loving' Spoonful om met hen samen te werken maar die weigerde, dus kreeg Neil Young een kans. Samen met hem traden ze voor het eerst op in 1969 onder de naam Crosby, Stills, Nash & Young. Het bracht hen ook naar het muziekfestival Woodstock, waarna ze een heel succesvol album uitbrachten: 'Deja Vu', waar meer dan zeven miljoen exemplaren van werden verkocht. In 1970 traden ze meteen ook voor het eerst op in Europa. Het bracht hen naar de Royal Albert Hall in Londen met o.a. Paul McCartney en Donovan in het Publiek.
Na deze tournee nam de groep een korte pauze en nam elk bandlid een solo album op. Dit resulteerde voor Neil Young in 'After The Gold Rush', dat hij samen met Crazy Horse opnam. Op dit album staat ook het nummer ‘Southern man’, een aanklacht tegen racisme in het zuiden van de Verenigde Staten. Lynyrd Skynyrd, afkomstig uit datzelfde zuiden, schreef in reactie hierop het nummer ‘Sweet Home Alabama’.

De grote solo doorbraak kwam er met de klassieker 'Harvest'. Het uitbrengen van dit album was een van een lange adem. Mede doordat Young rond 1970 zijn rug beschadigde tijdens het optillen van een stuk hout op zijn ranch en een discussie over de platenhoes werd het album uiteindelijk uitgebracht in 1972. Er werden meer dan twee miljoen exemplaren van verkocht, en single Heart of Gold werd een Amerikaans nummer één-hit.
Na Harvest kwamen Crosby, Stills, Nash en Young weer bijeen. Ze gingen van eind mei tot begin juni 1973 met bassist Tim Drummond en drummer Johnny Barbata op vakantie naar het Hawaiiaanse eiland Maui. Daar namen ze enkele liedjes op, waaronder Human Highway, And So It Goes en Prison Song. Het album zou Human Highway heten. Deze opnamesessies verliepen allesbehalve voorspoedig. Stills had te kampen met een cocaïneverslaving en Young hield zich vaak afzijdig van de rest van de groep. Het album werd nooit uitgegeven.

Young keerde zich af van het succes van Harvest door een aantal albums op te nemen die commercieel minder aantrekkelijk waren: live-album Time Fades Away (1973), On the Beach (1974) en Tonight's the Night (1975). Dit drietal albums wordt ook wel aangeduid als The Ditch Trilogy. Ze werden in november 1972 voorafgegaan door het soundtrackalbum Journey Through the Past. De muziek op deze vier albums is losjes gespeeld en de meeste liedjes zijn behoorlijk somber. Young wilde in deze periode niet weer een album als Harvest maken, want hij zou niet aan de verwachtingen hebben kunnen voldoen. Daarna bracht hij weer een album uit samen met Crazy Horse, 'Zuma'.
Begin jaren tachtig volgt een periode waarin Young experimenteert met een aantal verschillende muziekstijlen, variërend van country, folk, blues, rock tot techno. In 1982 komt Young met een film, Human Highway, waarin ook de newwavegroep Devo te zien is. Vlak daarna ziet Trans het licht, een heftig techno-album, in 1983 gevolgd door een slechts 25 minuten durend ouderwets rock-'n-roll album Everybody's Rockin', waarbij hij zichzelf afficheert als Neil & the Shocking Pinks. De rest van de jaren ’80 bleef voor het grootste deel gekenmerkt door minder populaire, experimentele albums.

In 1988, opnieuw onder contract bij platenmaatschappij Reprise. Met de song This Note's for You van het gelijknamige album (1988) bekritiseerde Young de commercialisering van de muziek In 1989 keert hij met Freedom eindelijk terug naar zijn oude stijl. Het nummer Rockin' In The Free World wordt een bescheiden hit, maar groeit voor velen onder invloed van de val van het IJzeren Gordijn en het einde van de Koude Oorlog uit tot een lijflied.

Ook in de jaren 90 blijft Neil Young allerminst stil zitten. Zo wordt in 1992 Harvest Moon uitgebracht, met dezelfde muzikanten opgenomen als het in 1972 uitgebracht album Harvest. In 1993 verschijnt Unplugged, en in 1995 neemt de inmiddels tot Godfather of Grunge omgedoopte zanger met Pearl Jam het album Mirror Ball op. Deze samenwerking brengt hem ook op menig podia samen met Pearl Jam. De band zou dat jaar (zonder zanger Eddie Vedder) Neil Young begeleiden op het festival Pukkelpop. Aan het eind van 1999 wordt Looking Forward, het derde album met Crosby, Stills & Nash, uitgebracht.
In 2000 krijgt hij een ster op Canada's Walk of Fame. Met de regelmaat van de klok blijft Neil Young albums uit brengen, een greep uit het aanbod: Naar aanleiding van 11 september schrijft Young het nummer Let's Roll, dat in het voorjaar van 2002 verschijnt op het album Are You Passionate?. In 2003 verschijnt een conceptalbum, Greendale, dat vergezeld wordt door zijn ondertussen vierde, gelijknamige film. In 2005 brengt hij de ingetogen, persoonlijk getinte cd Prairie Wind uit, en in 2006 Living With War, een stevig rockende aanklacht tegen het Irak-beleid van president George W. Bush.

In juli 2008 keert de zanger met zijn band terug naar Nederland en België. Op 4 juli spelen ze op Rock Werchter en op 11 juli op het Bospop-terrein in Weert. In april 2009 verschijnt het 31e studioalbum Fork in the Road. In de zomer van 2009 komt de lang verwachte Neil Young Archives box uit. Later dat jaar verschijnt ook nog Dreamin' Man Live '92, een akoestische live versie van het album Harvest Moon.
In 2010 verschijnt wederom een nieuw album: Le Noise. In mei 2012 publiceerde het muziekblad SPIN een lijst van de honderd beste gitaristen aller tijden, waarin Young op de twintigste plaats stond. Met Crazy Horse nam Young het album Americana op, dat begin juni 2012 werd uitgebracht. Het album wordt overal laaiend enthousiat ontvangen, en het is met Crazy Horse dat hij op 8 juni zal aantreden in Vorst National.

woensdag 30 januari 2013

Cd-review: The Joy Formidable - Wolf's Law

We moeten eerlijk bekennen dat we na het optreden van The Joy Formidable op Pukkelpop een klein beetje verliefd werden op zangeres Ritzy Bryan. Aangezien de jongedame al bezet is (ze heeft een relatie met haar bassist Rhydian Daffyd), bergden we onze hoop op en gingen we verder met ons leven. We studeerden een beetje, richtten samen met vrienden een muziekblog op, hadden plezier en kwamen stukje bij beetje ons verdriet te boven. Toen we hoorden dat The Joy Formidable een nieuwe plaat zou gaan uitbrengen, ontvingen we die met gemengde gevoelens. We waren blij omdat er  alweer een geniale band met een nieuw album op de proppen kwam, we voelden ons miezerig, want Ritzy dook weer op in ons leven. Toch verwelkomen we dit album met open armen, want zo zijn we, zeker als er een geweldige band met een nieuw album uitkomt en die plaat dan ook nog eens van hoog niveau blijkt te zijn.

De muziek van The Joy Formidable kon je tot voor kort omschrijven als oergrunge, maar met de nieuwe plaat 'Wolf's Law' lijkt daar enigszins verandering in te komen. Zo is er meer ruimte voor experimenteren en worden er allerlei nieuwe geluiden en instrumenten op je losgelaten. Niet dat de muziek zo heel anders is, de baseline is wel nog steeds dezelfde: toffe, ruige grungemuziek maken, maar er is ruimte voor andere dingen, ruimte om te creëren, weg van de platgetreden paden en de voorspelbaarheid.

Zo begint het  album met geluiden die je je het best kan voorstellen als achtergrondmuziek tijdens een spannende scène van een horrorfilm, maar na een tiental seconden volgt daarop een geweldige gitaarriff en we worden meteen in het album gezogen. "This Ladder is Ours", want zo heet dat eerste nummer, lijkt ook een opstapje voor de plaat te betekenen en de band probeert ook de luisteraar te betrekken. "This is where it all begins" en "Will you play a part", zijn veelgehoorde slagzinnen in dit nummer. Volgende op de lijst is "Cholla", waar de band teruggrijpt naar haar vorige album 'The Great Roar'.

Next up, "Tendons", een ietwat rustiger nummer, maar wel nog steeds dezelfde ruige grunge die we van hen gewend zijn. Zoals we eerder al zeiden is er op dit album ruimte voor experiment. Zo hoor je tijdens dit nummer enkele instrumenten die we van deze band niet echt gewoon zijn zoals een synthesizer en, we vermoeden, een glockenspiel, ook begint het nummer met een baslijn onder zware distortion. Het nummer zelf lijkt wel existentieel van aard te zijn, zo hoor je Ritzy zeggen dat mensen niets meer zijn dan pezen (Tendons) die te ver uitgerekt zijn. Als boter die over te veel boterhammen is uitgesmeerd.

Dan volgt een eerste minpunt, "Little Blimp", dat begint, net zoals "Tendons", met een onder-distortion-gezette baslijn, maar in tegenstelling tot "Tendons" barst het nummer hier ietwat later echt open. Helaas is het niveau van dit nummer niet heel erg hoog. Gelukkig volgen de drie ijzersterke nummers "Bats", "Silent Treatment" en "Maw Maw Song", het ene nog beter dan het andere, maar allemaal heel erg verschillend. Zo wordt "Bats" gekenmerkt door samenzang tussen Ritzy en een van de twee mannelijke leden van de band (wie, dat weten we niet) en een krachtig refrein dat eigenlijk heel het nummer draagt. Ook kent dit nummer een zeer sterk einde waarin drum, zang, een herhaling van het refrein en een psychedelische solo knap verweven worden tot een coherent geheel.

Dan volgt het tweede luik van deze geweldige triptiek, "Silent Treatment". Dit nummer staat in schril contrast tot de schreeuwerigere nummers ervoor, het is zelfs een ballad daarmee vergeleken. De gitaar klinkt wat Doors-achtig en de zang is even mooi als de zangeres zelf. Maar "Maw Maw Song" is volgens ons het beste nummer van de plaat. Het begint met een heel Chinees klinkend geluidje, wat we wel kunnen vermoeden als we de titel zien, maar later klinkt het weer, weliswaar met ondersteuning van die Chinese geluiden klinkt het weer als vanouds. Dit nummer bevestigd gewoon wat we eerder al zeiden, deze band durft op deze plaat de grenzen van het genre af te tasten, iets wat we alleen maar kunnen toejuichen. Voorts kent "Maw Maw Song" een geweldig leuk refrein.

Hoe geweldig het voorgaande drieluik ook was, het nummer dat volgt is maar flauwe kost. "Forrest Serenade" begint wel goed, met viool en andere, maar helaas is dit misschien wel het slechtste nummer op de plaat. Muzikaal klopt het wel allemaal, maar dit nummer past gewoon niet bij de stem van Ritzy Bryan en hier lijken ze dan weer net de grens van het genre iets te veel af te tasten en over de schreef te gaan. Daarna volgt "The Leopard and the Lung", een veel beter, zelfs heel sterk nummer. Het begint met piano, die een spurtende luipaard lijkt na te bootsen. Het nummer lijkt ook over een tweestrijd te gaan, de hoge snelheid van het luipaard tegenover zijn laag uithoudingsvermogen. "We're going to overrun this town, they will run you down", u begrijpt het wel.

Nadien volgen nog twee nummers "Hurdle" en "The Turnaround". Het eerste, ingeleid door gitaar en drum, ietwat eclectisch, kent een straf vervolg waarin de band losbarst en alle plooien op hun plaats lijken te vallen.  "The Turnaround" moet dan weer het hele concept van de plaat luister bijzetten. 'Wolf's Law' is immers afgeleid van Wolff's Law, een wetmatigheid van de hand van de Duitse anatomist en chirurg Julius Wolff. Die wet stelt dat de beenderen van gezonde mensen en dieren zich aanpassen aan de omstandigheden. Zo zullen tennissers in hun rackethand sterkere beenderen ontwikkelen, en keren astronauten met verzwakte beenderen terug van een ruimtemissie.

Het concept van de plaat? Maar is het dan een conceptplaat, misschien wel in de brede betekenis van het woord. Het is geen conceptplaat zoals 'The Wall' van Pink Floyd dat is, het is te zeggen, er wordt niet echt een verhaal verteld, maar er wordt wel een concept uitgelegd. Een concept van verandering, het zoeken naar nieuwe horizonten en het verbreden van je spectrum. Oftewel "Adopt, Adapt and Improve" (Extra punten voor wie weet waar dat vandaan komt). Nu ja, conceptplaat of niet, wat maakt het uit, zolang de plaat maar goed is, en dat is bij deze wel het geval.


Aron

P.S. Die liefdesverklaring, die moet u nu ook weer niet al te serieus nemen

maandag 28 januari 2013

Don't look back in anger: The Jesus And Mary Chain




Vorige week hadden we het over The Postal Service, vandaag komt een andere Primavera-headliner aan bod in deze rubriek: The Jesus And Mary Chain!
Geen band van grote, commerciële successen, maar wel een van de meest invloedrijke bands van de laatste decennia, aangezien zij zo ongeveer aan de wieg van de shoegaze stonden. Muzikaal gezien is de band een perfect voorbeeld van het genre, dromerige, zachte zang boven een tapijt van gitaren, een waal of sound waarin de melodie toch allerminst uit het oog verloren wordt.

De band werd opgericht in 1983 door de broers Jimm en William Reid. Een van de doelen van de twee was anders klinken dan andere bands, dus begonnen ze te experimenteren met noise en feedback in hun nummers. De band begon langzaamaan op te treden, maar het eerste succes bleef een tijdje uit. In Schotland wou het maar niet van de grond komen, dus besloten ze uit te wijken naar Londen, om het van daaruit in Engeland eens te proberen. Al snel leverde dit succes op, platenbaas Alan McGee besloot de groep namelijk een platencontract aan te bieden nadat hij hen had horen soundchecken.

Debuutsingle 'Upside down' werd een van de meest succesvolle indie-singles van de jaren '80, en in 1985 was het dan zover, debuutalbum 'Psychocandy' lag in de rekken. Dit album mag terecht als een klassiekers omschreven worden, aangezien het nu nog steeds gezien wordt  als de voorloper van de shoegaze, en een van de belangrijkste invloedbronnen van bands die het genre later populair zouden maken, zoals My Bloody Valentine en Ride.
Op dat moment was Bobby Gillespie trouwens de drummer, die in 1986 de band verliet om 'Primal Scream', nog zo'n cultband uit die periode, op te richten en er als zanger aan het werk te gaan.


Een van de dingen waarvoor de band bekend (of misschien eerder berucht) was, was de live-show. Zeker in de beginperiode speelde ze een ultrakorte set, vaak minder dan 20 minuten, en dan ook nog eens met de rug naar het publiek. Niet zelden gingen hun optredens gepaard met vechtpartijen in het publiek, dat ook vaak flesjes naar het podium. Die problemen die bij hun optredens geregeld opdoken zorgden al snel voor een slechte reputatie van de band, die meer voor zulke feiten bekend kwam te staan dan voor hun muziek. Het werd zelfs zo erg dat ze in bepaalde Britse steden gewoonweg niet meer mochten optreden.


In de loop der jaren verdween dit agressieve karakter van de band gelukkig grotendeels, maar de straffe albums bleven wel komen. Wat ook steeds erger werd, was de rivaliteit tussen de broers Reid, die er uiteindelijk voor zorgde dat de band in 1999 splitte.

In 2007 besloten ze ondanks de strubbelingen tussen de twee de draad van The Jesus And Mary Chain weer op te pikken, Coachella kreeg de eer het eerste reünie-optreden van de band te mogen ontvangen. Geruchten over een nieuw album blijven sinds toen de ronde doen, of het er ook echt komt is vrij waarschijnlijk maar lang niet zeker.

zondag 27 januari 2013

Single van de week: The Irrepressibles - Two men in love


Het is niet de eerste keer dat we The Irrepressibles vermelden, dus we hoeven er niet bij te vermelden dat we toch wel grote fan zijn van dit ensemble. Ook nieuwe single 'Two men in love', misschien wel het hoogtepunt van de laatste plaat, is weer van een betoverende schoonheid, en slaagt er in zowel ontroering als euforie over te brengen.

vrijdag 25 januari 2013

Cd-review: Borko

Björn Kristjánsson, alias Borko, is een ietwat atypische artiest. Hij is muziekleraar, werkt vooral in de theater- en muziekwereld en hij heeft, vier jaar na zijn vorige plaat "Celebrating Life", eindelijk een tweede album uit. Allemaal niet heel erg opzienbarend, zij het niet dat hij in de IJslandse muziekscene een echte legende is. Zo verdeeld hij zijn tijd tussen zijn soloproject, zijn werk en de samenwerkingen met populaire IJslandse bands zoals FM Belfast, Múm en Sin Fang, die hem al de hele wereld lieten zien. Nu heeft hij dus een nieuw album uit dat "Born to be Free" heet, en net als zijn vorige album "Celebrating Life" is het wederom geweldig. Of zoals hij zelf zegt op zijn website: "Borko has the beard of a freedom fighter and the battlefield is our hearts. Simply by putting the needle to this album, the battle is already half won".

We herinneren ons nog heel goed het moment waarop we voor de eerste keer dit album hoorden. We zaten op het vliegtuig richting IJsland, we hadden al een film bekeken op high-tech schermpjes in de zetel voor ons en dachten, laten we eens wat muziek beluisteren. We drukten op dit album en dachten: "Wat deze man op ons afvuurt is echt geweldig", we schaften het album dan ook aan bij de eerste kans die we kregen. Iets dat wel meteen opviel is dat de muziek van Borko omschrijven geen eenvoudige opdracht is. De man puurt uit heel wat verschillende muziekstijlen en instrumenten. Pop, electro, indie en dergelijke langs de ene kant en gitaar, saxofoon, drum, trompet, viool en andere worden mooi verweven tot een goed samenhangend geheel en het resultaat mag er gerust zijn, getuige het feit dat deze cd hier al in enkele lijstjes opdook.

Dat hoor je al aan het eerste nummer, dat ook de titeltrack is. "Born to be free" begint heel zacht en lieflijk, met geluiden die we niet echt kunnen thuisbrengen, maar die wel een sfeer oproepen waardoor we spontaan aan wilde dieren beginnen te denken. Later komen er gitaren, drums en andere instrumenten bij, zoals een viool, een trompet en een saxofoon. Na de bridge begint het nummer terug van voor af aan en bouwt het op naar een apotheose die door het refrein ingeleid wordt en nog even instrumentaal doorgaat. De zanger lijkt ook een wees-maar-jezelf-dat-is-al-gek-genoeg verhaal te brengen. "Open your mouth, show me your teeth, it's all part of who you are" en "Don't ever hide from me" zijn veel gehoorde oproepen die de boodschap moeten belichamen. Prachtige opener van de plaat.

Het ietwat gezapigere "Born to be free" wordt opgevolgd door het door elektronica gekenmerkte "Hold me now", wellicht het meest dansbare nummer op de plaat. "Abandoned in the Valley of Knives" is dan weer een soort van soundscape met op de achtergrond steeds hetzelfde weerkerende akkoord (welk instrument het is, weten we niet). Het nummer lijkt eenzaamheid en droefheid uit te drukken, verwoord met minimalistische zang, die meer ruimte maakt voor de instrumentatie. Ongeveer halfweg lijkt het nummer over te zijn, maar het begint eigenlijk gewoon opnieuw. Exact hetzelfde, met dezelfde opbouw alleen is de climax nu iets grootser met trompetten, gitaar en alles wat Borko te bieden heeft in feite.

"Two lights" is dan weer een lied zoals de meeste op deze plaat, een rustig begin en dan opbouwen naar een apotheose waarin alle gebruikte instrumenten goed tot hun recht komen. Maar dat is ook een kunst natuurlijk. "Waking up to be" lijkt dan weer op te roepen om meer in het moment te leven. "Waking up to be, try not to think off tomorrow", een boodschap waar wij ons kunnen bij aansluiten. Later op de plaat volgt nog het geweldige "Final Round", misschien wel het beste nummer op de plaat en, naar het schijnt, een contemplatie over het stadsleven. Hierin wordt, denken we, zelfs een djembé verweven. Dat alles mondt uiteindelijk uit in een geweldige ontknoping.

De laatste twee nummers zijn echte krakers. "Yonder" begint met een drum- en een baslijn, enkele elektronische geluidjes op de achtergrond en, vermoedelijk, een synthesizer (misschien wel een moog). Later komt er gitaar bij, samen met de stem van Borko die ietwat ver weg lijkt. Nadien barst het nummer open mede dankzij gitaar en consoorten, we menen ook handgeklap te onderscheiden tijdens de ontknoping. De plaat sluit af met "Sing to the World", een iets langer dan zeven minuten durend kunststukje met een universele inhoud. 7 minuten heerlijk mijmeren, of nee, een hele plaat door heerlijk mijmeren.



donderdag 24 januari 2013

Don't look back in anger: The Postal Service




Primavera Sound Barcelona, voor vele muziekliefhebbers hét ultieme festival, maakte, zoals je al kon lezen op onze facebookpagina, gisterenavond het grootste deel van de line up van 2012 bekend. Tientallen bands om duimen, vingers en meer van af te likken, waarvan misschien wel de meest verrassende naam die van The Postal Service is, die op donderdag 23 mei het festival zullen headlinen. Een band die nog maar 1 full-album op haar conto heeft, dat bovendien al dateert van 2003, als headliner op een groot festival? Daar hoort een woordje uitleg bij..


The Postal Service zou kunnen omschreven worden als een zogenaamde ‘supergroep’, bestaande uit producer Jimmy Tamborello, en Ben Gibbard, beter bekend als de zanger van het fantastische Death Cab For Cutie. Het plan om gezamenlijk in dit project te stappen kwam er nadat Gibbard een liedje (‘(this is) the dream of Evan and Chan’) ingezongen had op een album van Dntel, de groep waar Tamborello deel van uitmaakt.

De naam van de groep komt van de manier waarop ze hun songs schrijven, via de post dus. Tamborello creëerde de songs en nam er instrumentale versies van op, die hij vervolgens doorstuurde naar Gibbard, die ze dan op zijn beurt afwerkte en er de zanglijnen aan toevoegde. De Amerikaanse post (US Postal Service) was er aanvankelijk trouwens niet zo blij mee dat de band juist voor deze naam koos, en dreigde even met een proces wegens schending van hun merknaam, maar zo ver kwam het gelukkig uiteindelijk niet. De twee partijen onderhandelden er over, en uiteindelijk besloot USPS de dreiging in te trekken, op voorwaarde dat de band mee zou werken aan promotionele activiteiten voor de postmaatschappij en dat ze zouden optreden op hun jaarlijkse ‘National Executive Conference’.


Muzikaal gezien kunnen we de band niet beter omschrijven dan Death Cab For Cutie met wat extra electronische elementen. De zang uiteraard, maar ook de typische zachte, melancholische toon van die band blijft absoluut behouden, aangevuld met de iets vrolijkere en vooral vaak heel subtiele electronica-elementen van Tamborello. ‘Such great heights’ steekt er dan wel licht bovenuit op hun eerste (en tot nu toe nog steeds enige) album, maar ook liedjes als ‘The district sleeps alone tonight’ mogen er absoluut zeker zijn. Electropop van de bovenste plank! De voorbije tien jaar zijn er velen hen in dit genre gevolgd, maar hebben maar weinigen hetzelfde niveau gehaald als The Postal Service op hun album ‘Give up’.


Al sinds 2007 zijn er elk jaar wel weer geruchten dat ze nieuwe nummers aan het schriven zijn, of zelfs dat een nieuw album bijna af zou zijn, maar elk jaar opnieuw blijken die geruchten absoluut niet te kloppen. De verrassing was dan ook groot toen enkele dagen geleden de boodschap “The Postal Service 2013” op hun website verscheen. Of er ook een nieuw album volgt is dus nog niet bekend, maar een tour is dus alvast zeker wel al gepland. Primavera pakt er als eerste mee uit, maar we durven er heel wat op verwedden dat de band ook heel hoog staat op het verlanglijstje van Chokri M.